Rem op laattijdige betalingen door ondernemingen en overheden

23.12.2013

Overheden en ondernemingen zijn een hogere verwijlinterest verschuldigd wanneer zij hun facturen te laat betalen. Dat staat in een wet van 22 november 2013. Die wet beperkt ook de toegelaten betalingstermijn voor overheidsorganen, en voert een maximale verificatietermijn in voor overheden én ondernemingen.

Voor leveringen, diensten én werken
Volgens de huidige regels moet een handelstransactie betaald worden binnen de 30 dagen, behalve als het contract anders bepaalt. Wordt er niet tijdig betaald, dan is er automatisch een interest verschuldigd. Dat regime is van toepassing op het leveren van goederen en op het presteren van diensten. De nieuwe wet verruimt dat.
Voortaan is het regime van de betalingsachterstand bij handelstransacties van toepassing op elke transactie tegen betaling:
tussen ondernemingen onderling (ook tussen vrije beroepers), of
tussen ondernemingen en overheidsinstanties, waarbij de overheidsinstantie de schuldenaar is.
Op voorwaarde dat die transactie leidt tot:
het leveren van goederen;
het verrichten van diensten; of
het ontwerp en de uitvoering van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken.
Maar de wet geldt alleen tussen ondernemingen en overheden als de algemene regels op de overheidsopdrachten niet spelen. Dat is: als het gaat om ‘kleine opdrachten’. In de klassieke sectoren zijn dat opdrachten die ónder de drempel van 8.500 euro blijven (vroeger: 5.500 euro).
De regels op de betalingsachterstand bij handelstransacties gelden nog steeds niet voor transacties tussen ondernemingen en consumenten. Ze zijn evenmin van toepassing op niet-commerciële transacties, zoals het uitbetalen van prijzen, subsidies of schadevergoedingen, of het betalen van fiscale of sociale schulden.
Rentevoet stijgt
Tot nu was er bij laattijdige betaling een verwijlinterest verschuldigd, die de partijen vrij konden bepalen. Stond er daarover niets in het contract, dan gold de wettelijke regeling. Dat is: een interestvoet die gebaseerd is op de interestvoet die de Europese Centrale Bank aanrekent voor haar basisherfinancieringstransacties, op 1 januari of op 1 juli, vermeerderd met 7 procentpunten en afgerond naar het hogere halve procentpunt.
Dat blijft in grote lijnen zo, maar er komen voortaan wel 8 procentpunten bij, in plaats van 7.
Bovendien is het wettelijke stelsel vanaf nu verplicht bij handelstransacties tussen ondernemingen en overheden. De partijen kunnen er niet meer van afwijken in hun overeenkomst.
Ondernemingen behouden wel hun contractuele vrijheid.
Maximumtermijn voor verificatie
De wet of de overeenkomst kan nog altijd voorzien in een procedure van aanvaarding of controle van de goederen of diensten, maar die verificatie mag geen excuus meer zijn om de betaling op de lange baan te schuiven.
Als in de overeenkomst niet anders is bepaald, mag de verificatie nog maximum 30 dagen duren, te rekenen vanaf de ontvangst van de goederen of diensten.
Als in de overeenkomst een lángere verificatietermijn is afgesproken, dan zal het aan de schuldenaar zijn om te bewijzen dat die langere termijn geen ‘kennelijke onbillijkheid‘ uitmaakt ten aanzien van de schuldeiser, maar bijvoorbeeld nodig is omwille van het complexe karakter van de prestatie.
Betalingstermijn van 30 of 60 dagen...
Als er in de overeenkomst geen betalingstermijn werd afgesproken, dan moet de factuur binnen de 30 dagen betaald worden. Die termijn begint te lopen:
vanaf de ontvangst van de factuur,
vanaf de ontvangst van de goederen of diensten of het uitvoeren van de werken, of
na aanvaarding of controle ervan, en ten laatste vanaf het aflopen van de verificatietermijn.
Ondernemingen blijven echter volledig vrij om een langere betalingstermijn af te spreken in hun contracten.
Dat is niet zo voor de overheden. Overheidsinstanties, zoals gemeenten, provincies, OCMW’s, departementen of agentschappen, moeten zich voortaan houden aan de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen.
Overheden kunnen alleen nog een langere betalingstermijn afspreken “als dit objectief wordt gerechtvaardigd door de bijzondere aard of door bepaalde elementen van de overeenkomst”. Maar ook dan mag de betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedragen.
Voor bepaalde gezondheidsorganisaties – zoals ziekenhuizen of rusthuizen – bedraagt de betalingstermijn d’office 60 kalenderdagen, zonder dat die termijn verlengd kan worden.
Overheidsbedrijven, zoals Belgacom of bpost, vallen onder het soepeler stelsel van de ondernemingen. Niet onder dat van de overheidsinstanties.
Uiteraard blijft het voor alle partijen mogelijk om in termijnen te betalen. De verwijlinterest wordt dan alleen berekend op de bedragen die te laat gestort werden.
Forfait voor invorderingskosten
Nog nieuw is dat de schuldeiser die geconfronteerd wordt met een laattijdige betaling, automatisch recht heeft op een forfait van 40 euro voor invorderingskosten. Van rechtswege en zonder ingebrekestelling.
Een schuldeiser die hogere invorderingskosten heeft gemaakt, behoudt uiteraard het recht om een redelijke schadeloosstelling te krijgen voor alle kosten die dat forfait te boven gaan.
Geen kennelijk onbillijke bedingen óf praktijken
Contractuele bedingen, maar ook praktijken, die het betalen van een interest bij laattijdige betalingen uitsluiten, worden als kennelijk onbillijk beschouwd. Hetzelfde geldt voor clausules in contracten of praktijken die het betalen van een vergoeding voor invorderingskosten aan banden leggen. En voor te lange verificatietermijnen.
De nieuwe wet zegt ook uitdrukkelijk dat het absoluut verboden is om de datum waarop de factuur “zal worden ontvangen”, op voorhand vast te leggen in het contract.
Sinds 16 maart 2013?
Hoewel de wet van 22 november 2013 tot wijziging van de wet op de betalingsachterstand bij handelstransacties pas op 10 december in het Belgisch Staatsblad verscheen, heeft ze uitwerking sinds 16 maart 2013. 16 maart 2013 was immers de uiterste datum voor omzetting van de Europese richtlijn 2011/7/EU op de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, die aan de basis ligt van deze wet.
In de praktijk betekent dit dat de hogere interestvoet voor achterstallige betalingen als sinds 16 maart 2013 van toepassing is op alle overeenkomsten die sinds die datum zijn gesloten, vernieuwd of verlengd.
Volgens de nieuwe regels bedraagt die hogere interestvoet tussen 16 maart 2013 en 30 juni 2013, 9%. Dat is:
+ 8 procentpunten = 8,75%
afgerond naar het hogere halve procentpunt = 9%.
Sinds 1 juli 2013 is dat 8,5%. Namelijk:
+ 8 procentpunten = 8,5%
dit percentage hoeft niet verder afgerond te worden.
Nochtans kunnen bepalingen met een negatieve impact juridisch gezien geen retroactieve werking hebben, tenzij het algemeen belang op het spel staat. De Raad van State vraagt zich in zijn advies af of die doelstelling van algemeen belang hier wel aan de orde is...
Bovendien legde de federale overheid op 18 februari de interestvoet vast op 8% voor de volledige eerste jaarhelft en die mededeling werd nooit gecorrigeerd.
Voor de tweede jaarhelft werd er geen interestvoet meer gepubliceerd...
Bron:Wet van 22 november 2013 tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, BS 10 december 2013.