Fiscus stemt KB/WIB 1992 af op recente wetswijzigingen op het vlak van bedrijfsvoorheffing

03.03.2014

Een KB van 21 februari 2014 stemt het KB/WIB 1992 af op de recentste wijzigingen die de wetgever in het WIB 1992 aanbracht op het vlak van de bedrijfsvoorheffing. Hierna volgt een overzicht van de wijzigingen.

Nacht- en ploegenarbeid: hogere vrijstelling van doorstorting BV
Werkgevers die werknemers tewerkstellen die nacht- of ploegenarbeid verrichten, en die een ploegenpremie betalen, mogen 15,6% van de bedrijfsvoorheffing (BV) die ze inhouden op de lonen van deze werknemers voor zichzelf houden. Ze moeten dit bedrag dus niet doorstorten naar de Schatkist. De vrijstelling van doorstorting van BV wordt alleen toegekend voor werknemers die, volgens de arbeidsregeling waarin ze tewerkgesteld zijn, in de maand waarvoor de werkgever het voordeel vraagt, tenminste 1/3 van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid tewerkgesteld zijn.

 

De programmawet (I) van 26 december 2013 heeft deze vrijstelling van doorstorting van BV vanaf 1 januari 2014 verhoogd tot 17,8% voor ‘ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem’ (art. 2755, § 3, WIB 1992).

 

Het KB van 21 februari 2014 schrijft nu in het KB/WIB 1992 in hoe de schuldenaars van de BV dit bedrag moeten invullen in het vak “verschuldigde bedrijfsvoorheffing” van de tweede aangifte in de BV, die uitsluitend betrekking heeft op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde BV niet in de Schatkist moet worden gestort (wijziging art. 952, § 3, c), punt 7°, KB/WIB 1992).
Hogere vrijstelling van doorstorting BV voor KMO-werkgevers
Op 1 januari 2014 werd de vrijstelling van doorstorting van BV voor werkgevers in de KMO-sector opgetrokken van 1% tot 1,12%.
 
KMO-werkgevers moeten dus sinds 1 januari 2014 slechts 98,88% van de BV op de bezoldigingen die ze uitbetalen of toekennen aan hun werknemers moeten doorstorten naar de schatkist. Dit op voorwaarde dat de BV op die bezoldigingen volledig wordt ingehouden. De berekeningsbasis voor deze vrijstelling is het brutobedrag van de bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage (art. 951, 2de lid, KB/WIB 1992).

Het KB van 21 februari 2014 voegt nu aan het KB/WIB 1992 toe hoe de KMO-werkgevers dit bedrag moeten invullen in het vak “verschuldigde bedrijfsvoorheffing” van de tweede aangifte in de BV (wijziging art. 952, § 3, c), punt 9°, KB/WIB 1992).

Fiscaal gunstregime voor overwerk in bouw- en horecasector
Sommige werkgevers worden vrijgesteld van doorstorting van een deel van de verschuldigde BV op de belastbare bezoldigingen die zij betalen of toekennen aan werknemers voor het overwerk dat zij gepresteerd hebben. Dit op voorwaarde dat ze de volledige BV op deze bezoldigingen inhouden. De niet te storten BV bedraagt 24,75% van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag (art. 2751, WIB 1992).

Sommige werknemers die overwerk hebben gepresteerd dat recht geeft op een overwerktoeslag, kunnen genieten van een belastingvermindering. Die belastingvermindering is gelijk aan 24,75% van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbaar tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. De belastingvermindering mag echter nooit meer bedragen dan de belasting die verschuldigd is op de bezoldigingen die begrepen zijn in de netto belastbare beroepsinkomsten (art. 154bis, WIB 1992).

Beide voordelen (de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de BV voor werkgevers, en de belastingvermindering voor werknemers) golden slechts voor de eerste 130 uren die per jaar en per werknemer werden gepresteerd.  De programmawet (I) van 26 december 2013 heeft deze grens voor de bouwsector (‘werkgevers die werken in onroerende staat verrichten’) en voor de horecasector opgetrokken van 130 uren tot 180 uren (zowel voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting BV als voor de belastingvermindering) (art. 154bis, 3de lid en art. 2751, 7de lid, WIB 1992).

De grens werd enkel opgetrokken tot 180 uren op voorwaarde dat:

voor de horecasector: de werkgever in elke plaats van uitbating een geregistreerd kassasysteem gebruikt en hij deze kassa heeft aangegeven bij de belastingadministratie (KB 30 december 2009);
voor de bouwsector (‘werkgevers die werken in onroerende staat verrichten’): de werkgever gebruik maakt van een ‘elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem’ (hoofdstuk V, afdeling 4 welzijnswet werknemers).

Voor de horecasector geldt de verhoogde grens van 180 uren sinds 1 januari 2014.

Voor de bouwsector treedt de verhoogde grens van 180 uren in werking op dezelfde dag als de dag waarop het gebruik van het elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem verplicht wordt, nl. 1 april 2014 (art. 6 tot en met art. 14 en art. 16, wet van 8 december 2013).

Het KB van 21 februari 2014 past deze maatregelen nu in, in de toepassingsregels voor de berekening van de BV op bezoldigingen van werknemers (nieuw 2de lid in nr. 2.2, A.,d), nr. 2.3, d) en nr. 5.3, b), bijlage III, KB/WIB 1992).

‘Werkbonus’-belastingkrediet
Het sinds aanslagjaar 2012 heringevoerde belastingkrediet voor werknemers met lage lonen (art. 289ter/1, WIB 1992) gaat op 1 april 2014 naar omhoog.  Momenteel bedraagt dat belastingkrediet 8,95% van de vermindering van de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid (werkbonus) waarop de werknemers recht hebben, met een maximum van 130 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2014).
 
Op 1 april 2014 stijgt het aandeel van de werkbonus dat door een belastingkrediet wordt gedekt van 8,95% tot 14,40%. Het maximumbedrag wordt niet gewijzigd (enkel indexatie).

Het KB van 21 februari 2014 voegt deze maatregel toe aan de toepassingsregels voor de berekening van de BV op bezoldigingen van werknemers en van bedrijfsleiders (wijziging 2de lid in nr. 2.2, A., g) en nr. 3.3, A., b), bijlage III, KB/WIB 1992).

Lijst te gebruiken codes in BV-aangifte
Tenslotte voegt het KB van 21 februari 2014 de codes m.b.t. overuren en ploegen- en nachtpremies toe aan de “Lijst van codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 952, § 3, a, KB/WIB 1992”, die als bijlage IIIbis bij het KB/WIB 1992 zit.

Het gaat om de codes die de schuldenaar van de BV moet gebruiken in het vak ‘aard van de inkomsten’ van de tweede aangifte in de BV.

In werking
Het KB van 21 februari 2014 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2014 betaalde of toegekende inkomsten.
Dit met uitzondering van:
de bepalingen in de artikelen 2, 1°, en 3 die betrekking hebben op het overwerk dat wordt gepresteerd door werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten, en
van artikel 2, 2° (belastingkrediet werkbonus),
die van toepassing zijn op de vanaf 1 april 2014 betaalde of toegekende inkomsten.
Bron:Koninklijk besluit van 21 februari 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, BS 26 februari 2014.