Federale overheid bepaalt welke kosten energieleverancier mag doorrekenen

31.03.2014

Het is aan de federale overheid, en dus niet aan het Vlaams Gewest, om te bepalen welke kosten de energieleveranciers maximaal mogen doorrekenen aan hun klanten. Op vraag van de Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven (Febeg) vernietigt het Grondwettelijk Hof artikel 11 van het Vlaams decreet van 28 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie, dat een kostenplafond oplegt. In november van vorig jaar schrapte het Hof al een gelijkaardige bepaling uit een decreet van 13 juli 2012.

Kostenplafond
De hele discussie draait rond artikel 7.1.15 van het Energiedecreet. Dat artikel werd ingevoerd door artikel 13 van een Vlaams decreet van 13 juli 2012. 

 

Volgens artikel 7.1.15 mag een leverancier hoogstens de daadwerkelijk gemaakte kosten inzake de certificatenverplichting doorrekenen aan de eindgebruiker. Als een leverancier de certificatenkosten op de factuur vermeldt, mag het vermelde bedrag niet hoger zijn dan het bedrag dat de Vlaamse Regulator voor de Elektriciteit en het Gas (Vreg) opnam in zijn jaarrapport  over de gewogen gemiddelde kost per groenestroom- of warmte-krachtcertificaat.

Op 17 januari 2013 stelde Febeg een beroep tot vernietiging in van artikel 13 van het decreet van 13 juli 2012, dat artikel 7.1.15 invoerde.
 

Maar terwijl de procedure voor het Grondwettelijk Hof nog liep, bracht artikel 10 van het decreet van 28 juni 2013 kleine wijzigingen aan in artikel 7.1.15. Artikel 10 verduidelijkt namelijk wélk jaarrapport van de Vreg van toepassing is, en het voert een regeling in voor nieuwe energieleveranciers waarvoor de Vreg nog geen cijfers heeft gepubliceerd.

Op 13 november 2013 vernietigde het Grondwettelijk Hof artikel 13 van het decreet van 13 juli 2012, dat artikel 7.1.15 invoerde.

Voor alle zekerheid heeft Febeg op 27 december 2013 ook een verzoek tot vernietiging ingesteld van artikel 10 van het decreet van 28 juni 2013, dat artikel 7.1.15 wijzigde. Dat verzoek wordt nu ingewilligd op 20 maart 2014.

Met dezelfde argumentatie als in het vorige arrest.
Bevoegdheidsoverschrijding
Het energiebeleid is een bevoegdheid die gedeeld wordt tussen de federale overheid en de gewesten, maar het vastleggen van de energietarieven is een exclusieve bevoegdheid van de federale overheid. “Door in een maximum van door te rekenen kosten te voorzien, beïnvloedt de bestreden maatregel aldus de prijs die aan de eindgebruiker wordt aangerekend en grijpt hij in in de tariefstructuur” (...).

“De bestreden bepaling is onlosmakelijk verbonden met het vernietigde artikel 13 van het decreet van 13 juli 2012. In zoverre artikel 7.1.15 van het Energiedecreet nog kan worden toegepast, beïnvloedt het ook de prijs die aan de eindgebruiker wordt aangerekend en grijpt het ook in de tariefstructuur in”.

Het Hof vernietigt dan ook artikel 10 van het decreet van 28 juni 2013.
En nu?
De federale wetgever heeft in 2012 een eigen regeling ingevoerd om de doorrekening van te hoge kosten aan banden te leggen. De federale regeling werd ingeschreven in artikel 20quater van de Elektriciteitswet, maar dat artikel is nog steeds niet in werking getreden, zodat de energieleveranciers nog steeds ongeremd zogenaamde kosten voor de certificatenverplichting kunnen doorrekenen aan de energieklant.