Interestvoeten bij betalingsachterstand in handelstransacties voor 2013 en eerste jaarhelft 2014

05.02.2014

De minister van Financiën heeft de interestvoeten vastgelegd die in 2013 en tijdens het eerste semester van 2014 van toepassing zijn voor achterstallige betalingen bij handelstransacties.

Wettelijke interestvoeten eerste semester 2014
De interestvoeten die tijdens het eerste semester van 2014 (vanaf 1 januari 2014 tot 30 juni 2014) van toepassing zijn voor achterstallige betalingen bij handelstransacties bedragen:
voor overeenkomsten gesloten vóór 16 maart 2013: 7,50%;
voor overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd vanaf 16 maart 2013: 8,50%.
Wettelijke interestvoeten 2013
De interestvoeten die tijdens het eerste semester van 2013 van toepassing waren voor achterstallige betalingen bij handelstransacties bedragen:
voor overeenkomsten gesloten vóór 16 maart 2013: 8,00%;
voor overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd vanaf 16 maart 2013 tot 30 juni 2013: 9,00%.
De interestvoeten die tijdens het tweede semester van 2013 van toepassing waren voor achterstallige betalingen bij handelstransacties bedragen:
voor overeenkomsten gesloten vóór 16 maart 2013: 7,50%;
voor overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd vanaf 16 maart 2013 tot 30 juni 2013: 8,50%.
16 maart 2013
Een wet van 22 november 2013 wijzigde de ‘wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties’. Daardoor steeg de verwijlinterest die overheden en ondernemingen verschuldigd zijn als zij hun facturen te laat betalen. Deze wijzigingswet beperkte ook de toegelaten betalingstermijn voor overheidsorganen, en ze voerde een maximale verificatietermijn in voor overheden én ondernemingen.
Hoewel de wet van 22 november 2013 pas op 10 december 2013 in het Staatsblad verscheen, is ze van toepassing op betalingen in uitvoering van overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd vanaf 16 maart 2013.
16 maart 2013 was immers de uiterste datum voor omzetting van de Europese richtlijn 2011/7/EU over de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, die aan de basis ligt van deze wet.
Voor de overeenkomsten die vóór 16 maart 2013 zijn gesloten, zijn de veranderingen die de wet van 22 november 2013 aanbracht aan de wet van 2 augustus 2002, in elk geval van toepassing op betalingen in uitvoering van lopende overeenkomsten 2 jaar te rekenen vanaf 16 maart 2013.
Vandaar dat de minister van Financiën nu de wettelijke interestvoeten met terugwerkende kracht heeft vastgelegd.
Voor leveringen, diensten én werken
Sinds 16 maart 2013 is het regime van de betalingsachterstand bij handelstransacties van toepassing op elke transactie tegen betaling:
tussen ondernemingen onderling (ook tussen vrije beroepers); of
tussen ondernemingen en overheidsinstanties, waarbij de overheidsinstantie de schuldenaar is.
Bovendien moet die transactie leiden tot:
het leveren van goederen;
het verrichten van diensten; of
het ontwerp en de uitvoering van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken.
De ‘wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties’ geldt alleen bij transacties tussen ondernemingen en overheden als de algemene regels op de overheidsopdrachten niet spelen (dus als het gaat om ‘kleine opdrachten’; dat zijn opdrachten die onder de drempel van 8.500 euro blijven).
De regels op de betalingsachterstand bij handelstransacties gelden niet bij transacties tussen ondernemingen en consumenten. En ze zijn ook niet van toepassing op niet-commerciële transacties, zoals het uitbetalen van prijzen, subsidies of schadevergoedingen, of het betalen van fiscale of sociale schulden.
Betalingstermijn van 30 of 60 dagen
Als er in de overeenkomst geen betalingstermijn werd afgesproken, dan moet de factuur binnen de 30 dagen betaald worden. Die termijn begint te lopen:
vanaf de ontvangst van de factuur,
vanaf de ontvangst van de goederen of diensten of het uitvoeren van de werken, of
na aanvaarding of controle ervan, en ten laatste vanaf het aflopen van de verificatietermijn.
Ondernemingen blijven volledig vrij om een langere betalingstermijn af te spreken in hun contracten.
Dat is niet zo voor de overheden. Overheidsinstanties, zoals gemeenten, provincies, OCMW’s, departementen of agentschappen, moeten zich houden aan de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen.
Overheden kunnen alleen nog een langere betalingstermijn afspreken “als dit objectief wordt gerechtvaardigd door de bijzondere aard of door bepaalde elementen van de overeenkomst”. Maar ook dan mag de betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedragen.
Voor bepaalde gezondheidsorganisaties – zoals ziekenhuizen of rusthuizen – bedraagt de betalingstermijn d’office 60 kalenderdagen, zonder dat die termijn verlengd kan worden.
Overheidsbedrijven, zoals Belgacom of bpost, vallen onder het soepeler stelsel van de ondernemingen. Niet onder dat van de overheidsinstanties.
Het blijft voor alle partijen mogelijk om in termijnen te betalen. De verwijlinterest wordt dan alleen berekend op de bedragen die te laat gestort werden.
Forfait voor invorderingskosten
De schuldeiser die geconfronteerd wordt met een laattijdige betaling, heeft automatisch recht heeft op een forfait van 40 euro voor invorderingskosten. Van rechtswege en zonder ingebrekestelling.