Overheidspensioen: Grondwettelijk Hof werkt discriminatie weg bij cumulatie met beroepsinkomsten

08.12.2014

Bijverdienen is vorig jaar gemakkelijker geworden voor gepensioneerden bij de overheid. Onder andere via een voordelige cumulatieregeling voor wie ‘om een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid’ vóór de leeftijd van 65 jaar ambtshalve op rust is gesteld. Die uitsluiting van personen die wegens lichamelijke ongeschiktheid op rust zijn gesteld, wordt vernietigd door het Grondwettelijk Hof.

Bijverdienen
Een onbeperkte cumulatie van een pensioen met een beroepsinkomen is mogelijk voor wie 65 jaar is en een loopbaan van 42 jaar heeft. Voldoet men niet aan die voorwaarden, dan gelden er wel nog inkomensgrenzen, maar de sanctie bij een eventuele overschrijding werd afgezwakt.

Voor de overheidssector komt de hervorming aan bod in een programmawet van 28 juni 2013. In beginsel mag een rust- of overlevingspensioen niet gecumuleerd worden met beroepsinkomsten. Maar zoals aangegeven zijn er heel wat uitzonderingen, zelfs een onbeperkte cumul is mogelijk.

Zo bevat artikel 81 van de programmawet van 28 juni 2013 een voordelige cumulatieregeling met hogere plafonds voor 3 categorieën van gerechtigden op een rustpensioen die vóór hun 65ste beroepsinkomsten ontvangen. Tot die groep behoort de categorie van de personen die ‘om een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid’ vóór de leeftijd van 65 jaar ambtshalve op rust zijn gesteld. En precies die zinsnede — opgenomen in artikel 81, a) van de programmawet — zorgde voor heel wat discussie.

Lichamelijke ongeschiktheid
De uitsluiting van personen die wegens lichamelijke ongeschiktheid vóór de leeftijd van 65 jaar ambtshalve op rust zijn gesteld, werd betwist door (onder andere) gewezen militairen in die situatie. Met andere woorden: zij willen ook in aanmerking komen voor de gunstigere regeling uit artikel 81.

Uiteindelijk heeft het Grondwettelijk Hof de knoop doorgehakt. De woorden ‘om een andere reden dan lichamelijke ongeschiktheid’ worden vernietigd. De verzoekende partijen hadden het over een ‘onverantwoord verschil in behandeling tussen personen die vóór de leeftijd van 65 jaar ambtshalve op rust zijn gesteld, naargelang zij op rust zijn gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid of om een andere reden’.

Het hof volgt die redenering en stipt daarbij onder andere volgende argumenten aan:

De uitsluiting is in de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 28 juni 2013 niet verantwoord.
Met de bestreden maatregel wordt geen vrijwaring van het stelsel van de pensioenen of van de sociale zekerheid nagestreefd. Het hof verwijst hier ook naar oudere rechtspraak.
Beide categorieën van personen die vóór de leeftijd van 65 jaar ambtshalve op rust worden gesteld, bevinden zich in een soortgelijke situatie in zoverre zij, om een reden die onafhankelijk is van hun wil, op rust worden gesteld op een leeftijd waarop de andere ambtenaren nog kunnen werken en nog de inkomsten van hun arbeid kunnen genieten.
De uitsluiting heeft onevenredige gevolgen aangezien die categorie van personen per definitie geen volledig pensioen genieten en dus het risico lopen zich in een kwetsbare situatie te bevinden.