Juridische constructies: fiscus publiceert nieuwe lijst met rechtsvormen waarop geen of een minimale belasting wordt geheven

02.09.2015

De Programmawet van 10 augustus 2015 heeft de kaaimantaks (doorkijkbelasting) ingevoerd. Daardoor worden inkomsten van buitenlandse juridische constructies (incl. vennootschappen die niet belast worden aan een tarief van minimum 15%) sinds 1 januari 2015 rechtstreeks belast in hoofde van de oprichter, zijn erfgenamen, derde begunstigden of aandeelhouders. Ook de dividenden en liquidatieboni die deze vennootschappen uitkeren aan Belgische begunstigden zijn belastbaar.

De kaaimantaks (en de aangifteplicht) is van toepassing op inkomsten die zijn verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2015 door:
juridische constructies zonder rechtspersoonlijkheid (trusts en fiduciaire verhoudingen) (art. 2, § 1, 13°, a), WIB 1992), en
juridische constructies met rechtspersoonlijkheid (vennootschappen, verenigingen, stichtingen,…) (art. 2, § 1, 13°, b), WIB 1992).

 

Juridische constructie met rechtspersoonlijkheid
Het WIB 1992 definieert nu een ‘juridische constructie met rechtspersoonlijkheid’ als:
“enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit, die rechtspersoonlijkheid bezit, en die, krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan 15% bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.” (art. 2, § 1, 13°, b), WIB 1992).

Alle in deze definitie bedoelde rechtsvormen die gevestigd zijn in een land of rechtsgebied dat behoort tot de EER, zijn geen juridische constructie. Dit echter met uitzondering van de gevallen die zijn vastgelegd in het KB van 23 augustus 2015.

Dit KB beschouwt de Liechtensteinse Stiftung, de Liechtensteinse Anstalt en de Société de gestion de Patrimoine Familiale (SPF) uit Luxemburg toch als een juridische constructie.
Nieuwe lijst met rechtsvormen waarop geen of een minimale belasting wordt geheven
Het WIB 1992 (art. 2, § 1, 13°, b), derde lid) voorziet in een lijst met rechtsvormen voor welbepaalde landen of rechtsgebieden die, krachtens de wetgeving van het land of rechtsgebied waar ze gevestigd zijn, daar niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of er -wat de inkomsten van kapitalen en roerende goederen betreft- onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting die minder dan 15% bedraagt van het belastbaar inkomen dat wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op deze inkomsten.

Een tweede KB van 23 augustus 2015 legt deze nieuwe lijst met rechtsvormen vast.

Hij vervangt de ‘oude lijst’ die bij het KB van 19 maart 2014 zat (KB van 19 maart 2015 wordt volledig opgeheven).

De lijst van voor welbepaalde landen of rechtsgebieden beoogde rechtsvormen zal telkens worden aangepast als er, door buitenlandse wetswijzigingen, rechtsvormen aan moeten worden toegevoegd of van de lijst moeten worden geschrapt.

In werking
Beide KB’s van 23 augustus 2015 zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2015 werden verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een juridische constructie.
Voor de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing zijn beide KB’s van toepassing op de inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 september 2015.
 
Bron:Koninklijk Besluit van 23 augustus 2015 tot uitvoering van artikel 2, § 1, 13°, b, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 28 augustus 2015.
 
Bron:Koninklijk besluit van 23 augustus 2015 tot uitvoering van artikel 2, § 1, 13°, b, derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 28 augustus 2015.