Grondwettelijk Hof vernietigt permanent afwijkende opzeggingstermijnen voor de bouwsector

16.11.2015

Sinds 1 januari 2014 gelden voor arbeiders en bedienden dezelfde opzeggingstermijnen. Maar zoals bekend werden de op dat moment verworven rechten vastgeklikt. En op de algemene regel werden tijdelijke uitzonderingen ingevoerd voor onder meer de confectie- en de diamantsector. Voor bouwvakkers op een bouwwerf geldt zelfs een permanente uitzondering, maar die wordt nu geschrapt.

Tot 1 januari 2018
De wet op het eenheidsstatuut bevat een specifieke overgangsmaatregel voor bepaalde sectoren. Daardoor worden de algemene en uniforme opzeggingstermijnen die gelden sinds 1 januari 2014 onder bepaalde voorwaarden niet toegepast bij een opzegging ter kennis gebracht tussen 1 januari 2014 en 31 december 2017 in sectoren met korte opzeggingstermijnen, namelijk: opzeggingstermijnen die korter zijn dan de termijnen in artikel 70, §2 van de wet.

De wetgever kiest in die gevallen voor een aparte set met termijnen – opgenomen artikel 70, §2 van de wet - omdat ‘een onmiddellijke sprong naar de nieuwe opzeggingstermijnen de werkgelegenheid in de sector ernstig zou kunnen ontwrichten’.

Permanente uitzondering
Maar voor bepaalde werknemers gelden die aparte opzeggingstermijnen voor onbepaalde duur, zo blijkt uit artikel 70, §4 van de wet. Want die bepaling sluit werknemers uit van de algemene opzeggingstermijnen wanneer ze beantwoorden aan 3 criteria:
de opzeggingstermijn op 31 december 2013 werd vastgesteld bij KB op basis van de arbeidsovereenkomstenwet, en die opzeggingstermijn was op die datum lager dan de termijn in artikel 70, §2 van de wet;
geen vaste plaats van tewerkstelling hebben;
gewoonlijk op tijdelijke en mobiele werkplaatsen een of meer van de in dat artikel opgesomde activiteiten uitvoeren. Enkele voorbeelden: graafwerken, grondwerken, verbouwingswerken …

Het gaat hier om de arbeiders van de bouwsector – of althans een groot deel daarvan.

De situatie van de betrokken werknemers verbetert wat de opzeggingstermijnen betreft, maar na verloop van tijd worden de verschillen tussen de specifieke regeling en de algemene regeling steeds groter. Zo argumenteert het hof dat bij een anciënniteit van 18 maanden het verschil tussen de specifieke regeling – 5 weken - en de algemene regeling - 10 weken - al groot is. En dat verschil loopt snel op.

Het hof benadrukt bovendien dat het hier gaat om een permanente regeling enerzijds, en een overgangsregeling anderzijds. En die permanente regeling - opgenomen in artikel 70, §4 van de wet – wordt nu vernietigd. Want een ‘in de tijd onbeperkte discriminatie’ wordt gehandhaafd zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Niet redelijk te verantwoorden
De Raad van State had zich eerder al afgevraagd of de bestreden afwijking op de harmonisering van de opzeggingstermijnen wel toelaatbaar is, te meer daar de afwijking niet beperkt is in de tijd en bovendien enkel geldt voor een specifieke sector. Over het argument van de compensatie door de schaarste op de arbeidsmarkt zegt de Raad van State bijvoorbeeld dat schaarste op de arbeidsmarkt in de meeste gevallen een tijdelijk probleem is en dat de regeling bijvoorbeeld ook toegepast zou kunnen worden voor andere werknemers in knelpuntberoepen.

Het Grondwettelijk Hof sluit zich daarbij aan en stelt dat er bovendien geen objectieve gegevens zijn die verantwoorden dat de nood aan sociale bescherming het grootst zou zijn voor de arbeiders die voldoen aan de 3 criteria. De specifieke opzeggingstermijnen kunnen via een cao wel sneller evolueren in de richting van de algemene opzeggingstermijnen, maar door die loutere mogelijkheid wordt de discriminatie volgens het hof niet verholpen.

Conclusie: het in de tijd onbeperkt karakter van de maatregel is niet redelijk te verantwoorden. Door de toepassing van de criteria, zoals de vereiste van een tewerkstelling zonder vaste plaats, omstaan in de bouwsector bovendien nieuwe verschillen in behandeling tussen de werknemers van die sector. Volgens het hof houden de criteria ‘geen voldoende pertinent verband met het aangegeven doel dat erin zou bestaan de sociale bescherming van die specifieke categorie van personen te vrijwaren’.

Gemoduleerde vernietiging
Artikel 70, §4 van de wet op het eenheidsstatuut wordt vernietigd. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Maar de gevolgen van de vernietigde bepaling moeten tot uiterlijk 31 december 2017 worden gehandhaafd. Een ‘niet-gemoduleerde vernietiging’ zou volgens het hof immers leiden tot rechtsonzekerheid omdat heel wat werkgevers onmiddellijk te maken zouden krijgen met langere opzeggingstermijnen. Dat zou voor ernstige financiële moeilijkheden kunnen zorgen.

De tijdelijke regeling in artikel 70, §1 van de wet laat overigens nog altijd een substantieel verschil bestaan tussen arbeiders en bedienden, maar dat verschil houdt zeker op te bestaan op 1 januari 2018. Die regeling zal in ieder geval op de meeste arbeiders uit de bouwsector van toepassing zijn.
Ontslagcompensatie
Arbeiders die eind 2013 in dienst waren en die vanaf 1 januari 2014 ontslagen worden, kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een ontslagcompensatievergoeding van de RVA. Die komt bovenop de opzeggingstermijn of de opzeggingsvergoeding die de werkgever verschuldigd is.

De vergoeding compenseert het verschil tussen de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen enerzijds, en de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben als de totale anciënniteit van de werknemer volledig verworven was na 31 december 2013 anderzijdes.

Zoals bekend heeft de wetgever ervoor gekozen om de last van de langere opzeggingstermijnen of hogere opzeggingsvergoedingen niet alleen bij de werkgever te leggen. Vandaar dat de RVA het verschil bijpast.

Artikel 97 van de wet op het eenheidsstatuut bepaalt dat de werknemers die vallen onder de regelingen van artikel 70 geen recht hebben op een ontslagcompensatievergoeding. Met de woorden van de wetgever: ‘De werknemer op wie artikel 70 van voormelde wet van toepassing is, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de ontslagcompensatievergoeding.’

Maar die zin wordt vernietigd door het Grondwettelijk Hof. Zoals hierboven aangeven schendt artikel 70, §4 van de wet het gelijkheidsbeginsel. De regeling in artikel, 70 §1 van de wet laat een substantieel verschil bestaan tussen arbeiders en bedienden maar dat verschil is tijdelijk.

Die werknemers vallen vanaf 1 januari 2018 onder de algemene opzeggingstermijnen en moeten volgens het hof dus kunnen genieten van de vergoeding ‘die ertoe strekt de niet-toepassing van de nieuwe termijnen voor de periode die aan die datum voorafgaat, te compenseren’.

Het hof argumenteert dat het niet volstaat om te wijzen op een aantal maatregelen die in bepaalde omstandigheden in het voordeel kunnen zijn van die werknemers om het verschil in behandeling te verantwoorden. Het Grondwettelijk Hof besluit dan ook dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is. De geciteerde zin wordt dus vernietigd maar de gevolgen van de vernietigde bepaling worden gehandhaafd tot 31 december 2017.