Grondwettelijk Hof: dringende medische hulp is grondrecht van alle vreemdelingen

26.10.2015

OCMW’s zijn verplicht om dringende medische hulp te verlenen aan vreemdelingen die in België verblijven met een arbeidskaart B of een beroepskaart. ‘Het is een grondrecht waarvan niemand mag worden uitgesloten’, stelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest (131/2015) van 1 oktober 2015.

Recht op maatschappelijke dienstverlening
Met dat arrest vernietigt het Hof een deel van artikel 20 van de Programmawet van 28 juni 2013. Daarmee voerde de wetgever een afwijking in op het algemene recht op maatschappelijke dienstverlening door OCMW’s (art. 57sexies OCMW-wet). In principe kunnen vreemdelingen die wettig in ons land verblijven en niet in staat zijn om menswaardig te leven, bij het OCMW terecht voor financiële steun, hulp in natura, socio-professionele hulp of een andere vorm van hulp. Het OCMW is ook verplicht om te voorzien in ‘dringende medische hulp’. In dat geval betaalt het OCMW de kosten van dringende medische zorgen terug.
Niet voor vreemdelingen met arbeidskaart B of beroepskaart
Maar sinds 11 juli 2013 mogen OCMW’s die maatschappelijke dienstverlening weigeren aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht kregen in ons land op basis van een arbeidskaart B of een beroepskaart. De wetgever vond het immers niet logisch dat personen die hier een professionele activiteit uitoefenen hierop aanspraak kunnen maken. De maatregel moet bovendien misbruik van de immigratiewetgeving en sociale fraude beperken en zorgen voor een aanzienlijke besparing.
Geen recht meer op dringende medische hulp
Gevolg is ook dat deze groep vreemdelingen niet meer bij een OCMW kan aankloppen voor dringende medische zorgen. En die situatie werd onder meer door een aantal ziekenhuisverenigingen, een doctor in de geneeskunde en een aantal medische raden van ziekenhuizen aangekaard voor het Grondwettelijk Hof. Het feit dat het OCMW niet meer zou tussenkomen in de kosten van de dringende medische zorgen voor deze groep vreemdelingen zou voor hen een aanzienlijk financieel nadeel meebrengen.

Bovendien zorgt de regel voor een verschil in behandeling met vreemdelingen die hier illegaal verblijven. Zij hebben immers wel nog recht op maatschappelijke dienstverlening. De OCMW’s komen voor hen dus nog wel tussen in de dringende medische kosten.

Dringende medische hulp is een grondrecht
Het Grondwettelijk Hof volgt hen nu in die redenering. ‘Dringende medische hulp is een grondrecht zonder hetwelk het recht op menselijke waardigheid niet kan worden gewaarborgd’. Het wordt alleen aangeboden aan personen die onvoldoende inkomsten en verzekeringen hebben om en waarbij een medisch getuigschrift de dringendheid ervan aantoont. Bepaalde vreemdelingen het recht op deze dringende medische zorgen ontnemen louter om sociaal misbruik te beperken, fraude in de immigratiewetgeving tegen te gaan of besparingen te realiseren, is niet redelijk verantwoord.

Het Hof stelt daarbij ook dat er bij de toekenning van een arbeidskaart B of beroepskaart op wordt toegezien dat de betrokkenen over voldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien tijdens hun verblijf in België. De meeste van deze vreemdelingen zullen dus doorgaans niet beantwoorden aan de voorwaarden die het recht op maatschappelijke dienstverlening openen. Toch kan niet worden voorzien dat ook zij in een precaire situatie zouden terechtkomen.

Vernietigd
Artikel 20 van de Programmawet van 28 juni 2013 schendt de Grondwet in zoverre het de OCMW’s toestaat om dringende medische hulp te weigeren aan vreemdelingen die hier tijdelijk verblijfsrecht hebben op basis van een arbeidskaart B of een beroepskaart. De bepaling wordt daarom vernietigd.

 

Al spreekt het Hof zich alleen uit over de notie ‘dringende medische hulp’. Het Hof spreekt zich niet uit over de grondwettigheid van artikel 57sexies van de OCMW-wet in zoverre het de betrokken vreemdelingen andere vormen van maatschappelijke dienstverlening ontneemt.