Strengere voorschriften voor verlichting en luchtverversing in arbeidsplaatsen

25.04.2016

Vanaf 24 april 2016 gelden er nieuwe algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden op het vlak van verlichting en luchtverversing. De voorschriften zullen in de Welzijnscodex staan.

Minimumvoorschriften
Richtlijn 89/654 legt minimumvoorschriften vast die de veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaatsen moeten garanderen. De tekst werd gedeeltelijk omgezet in een KB van 10 oktober 2012. Die voorschriften vormen Titel III – Arbeidsplaatsen, Hoofdstuk I - Basiseisen in de Codex over het welzijn op het werk.

De regeling is van kracht sinds 15 november 2012. Ze is van toepassing op de werkgevers en de werknemers (en de daarmee gelijkgestelde personen) die onder de Welzijnswet van 4 augustus 1996 vallen.

Een ‘arbeidsplaats’ wordt heel ruim omschreven, maar sommige plaatsen vallen buiten het toepassingsgebied. Bijvoorbeeld: tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, winningsindustrieën en vissersvaartuigen.
Verlichting
Het wijzigings-KB brengt verduidelijking. De voorschriften worden deels hernomen en aangevuld:
De werkgever bepaalt net als voordien, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen.
De werkgever die de vereisten van de norm NBN EN 12464-1 en de norm NBN EN 12464-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting, wordt nog steeds vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met de voorschriften.
Wanneer de werkgever de NBN-normen niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage bij het nieuwe KB. De huidige tekst bepaalt dat deze voorwaarden worden vastgesteld door de minister van Werk, maar dat was tot op heden niet gebeurd.

De voorschriften voor ‘noodverlichting’ worden uitgebreid. Men verduidelijkt dat het gaat om arbeidssituaties waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een ‘verhoogd risico’ worden blootgesteld. Het begrip ‘bijzonder risico’ was immers vatbaar voor interpretatie en zorgde voor verwarring.

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een verlichting:

die bijdraagt aan de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden; en
die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw.

Het nieuwe KB bepaalt ook dat de sterkte van deze verlichting – er is geen sprake meer van ‘noodverlichting’ - niet minder mag zijn dan 10% van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak.

Bijlage
In de bijlage met minimumvoorwaarden somt men de vereiste verlichtingssterkte (uitgedrukt in lux) op in functie van de plaats in kwestie. Zoals aangegeven, gaat het hier om werkgevers die de NBN-normen niet wensen toe te passen.

Zo moet op de werkposten de gemiddelde verlichtingssterkte van het werkvlak voldoende zijn voor de uit te voeren taken, en is, gemeten op het werkvlak, of bij afwezigheid van een werkvlak op een horizontale hoogte van 0,85 meter van de grond, een minimale gemiddelde verlichtingssterkte vereist.

200 lux volstaat bijvoorbeeld voor de refter, de kleedkamer en de wasplaats, terwijl 300 lux vereist is in de bakkerij en voor middelmatig precies assembleerwerk. Voor een EHBO-lokaal loopt dat bijvoorbeeld op tot 500 lux, en in een medisch onderzoekslokaal zelfs tot 1000 lux.

Op plaatsen die enkel dienen voor verplaatsing zijn de vereisten minder streng. De verlichtingssterkte, gemeten op de vloer, ligt tussen 5 en 100 lux.

5 lux volstaat bijvoorbeeld bij kolenopslag, houtopslag en in stapelplaatsen met occasioneel verkeer, terwijl 100 lux het minimum is voor verplaatsingszones in het bedrijf en in gangen, trappen en magazijnen.

Er zijn nog andere vereisten:

Indien er werknemers zijn met een grotere lichtbehoefte omwille van oogafwijkingen of leeftijd moet de verlichtingssterkte hieraan aangepast worden.
De verlichting van het werkvlak moet gelijkmatig verdeeld zijn. Snelle en sterke overgangen in de verlichtingssterkte van het werkvlak en de onmiddellijk aangrenzende zone moeten vermeden worden. De lampen mogen geen flikkering of stroboscopieverschijnselen vertonen. Er mag geen hinderlijke verblinding door directe of indirecte waarneming van heldere lichtbronnen in het gezichtsveld optreden.
Indien op een werkvlak een gemiddelde verlichtingssterkte groter dan 200 lux nodig is, mag zij bekomen worden door middel van een plaatselijke verlichting, mits de installatie voor de algemene verlichting alleen reeds, in elk geval, op dezelfde plaats een gemiddelde verlichtingssterkte van minimum 200 lux verzekert.
De kunstmatige verlichting mag de kleuren van de veiligheids- en gezondheidssignalering en de pictogrammen niet wijzigen. De lampen die gebruikt worden voor de verlichting van het werkvlak hebben een kleurweergave-index van 80 of meer en een kleurtemperatuur die aangepast is aan de taak.
Bij de keuze van de soort en de plaatsing van de lampen moeten de veiligheidsrisico's die onderhoud en vervanging van lampen met zich meebrengen in rekening gebracht worden.
Luchtverversing
Het wijzigings-KB brengt ook duidelijkheid op het vlak van luchtverversing. De voorschriften worden deels hernomen en aangevuld:
De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers in de werklokalen over voldoende ‘verse lucht’ – er is geen sprake meer van ‘zuivere lucht’ - beschikken, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen.
Hiertoe neemt de werkgever de nodige technische of organisatorische maatregelen opdat de CO2-concentratie in deze werklokalen lager is dan 800 ppm, tenzij deze kan aantonen dat dit om objectieve en gegronde redenen niet mogelijk is.
In elk geval mag de CO2-concentratie in deze werklokalen nooit hoger zijn dan 1200 ppm!
De luchtverversing gebeurt op natuurlijke wijze of door middel van een luchtverversingsinstallatie. De installatie moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo moet ze ‘verse lucht’ verspreiden.
De luchtverversingsinstallatie is bovendien zo ingesteld – en dit is nieuw - dat over een werkdag de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid tussen 40% en 60% ligt, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is. De relatieve luchtvochtigheid mag tussen 35% en 70% liggen indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats.

De huidige tekst verwijst naar de ‘wetenschappelijke normen betreffende de relatieve luchtvochtigheid’. Maar het nieuwe KB legt die normen vast aangezien zo’n wetenschappelijke normen niet beschikbaar zijn, zo blijkt uit een advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk.

Uit dat advies blijkt ook dat het begrip ‘zuivere lucht’ wordt vervangen door ‘verse lucht’ om te zorgen voor een consequent gebruik van dezelfde termen. Er werd gekozen voor ‘verse lucht’ aangezien lucht in principe nooit volledig zuiver kan zijn, zo klinkt het.

Let wel, het gaat om een verdeeld advies. De werknemersvertegenwoordigers gaven een gunstig advies, de werkgeversvertegenwoordigers een ongunstig. Hun argumenten worden opgesomd in de tekst.

Bron:Koninklijk besluit van 25 maart 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2012 tot vaststelling van de algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden, BS 14 april 2016