Verjaring van rechtsvorderingen op het gebied van buitencontractuele aansprakelijkheid tegen de Staat - niet noodzakelijk verjaard na 5 jaar !

14.08.2007

Het Arbitragehof heeft op 18 oktober 2006 geoordeeld dat een rechtsvordering inzake buitencontractuele aansprakelijkheid niet na 5 jaar verjaard is indien de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn van 5 jaar kan worden vastgesteld.

Artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalt dat schuldvorderingen tegen de Staat vervallen is indien de deze vordering niet ingediend werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

In beginsel is een verkorte verjaringstermijn geen schending van de Grondwet. Het Arbitragehof heeft dit al herhaaldelijk vastgesteld. Het nagestreefde doel van artikel 100 bestaat erin de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Het Arbitragehof was al van mening dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was.

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid pas verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Het Arbitragehof heeft nu vastgesteld dat de verjaringstermijn van artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.