Grondwettelijk Hof tempert strengere regels voor gezinshereniging

10.10.2013

De wet op de gezinshereniging van 8 juli 2011 heeft de procedure van gezinshereniging strenger gemaakt door er onder andere striktere voorwaarden op het vlak van huisvesting en inkomen aan te koppelen.

De strengere regels zijn in werking getreden op 22 september 2011. Maar een paar aanpassingen die toen doorgevoerd werden binnen de Vreemdelingenwet staan ter discussie en hebben op 26 september 2013 geleid tot een arrest van het Grondwettelijk Hof.
Vreemdelingenwet
Het Grondwettelijk Hof vernietigt 3 (gewijzigde) bepalingen uit de Vreemdelingenwet van 15 december 1980:
1)
artikel 40bis, §2, eerste lid, 2°, c)
2)
artikel 40bis, §2, tweede lid
3)
artikel 40ter, tweede lid
Het gaat meer bepaald om:
1)
de leeftijdsvereiste van de partners bij het bepalen van het recht op gezinshereniging;
2)
het verblijfsrecht van familieleden die ten laste zijn van de gezinshereniger of die om gezondheidsredenen bijstand van hem behoeven;
3)
de voorwaarden voor de gezinshereniging van de familieleden van een Belgische onderdaan.
Vernietiging
1/ Artikel 40bis, §2, eerste lid, 2°, c)
In artikel 40bis, §2 van de Vreemdelingenwet definieert men wie als ‘familielid van de burger van de Unie’ moet worden beschouwd, en welke voorwaarden gelden voor een gezinshereniging tussen partners met een wettelijk geregistreerd partnerschap dat niet als gelijkwaardig wordt beschouwd met een huwelijk in België.
Eén van die voorwaarden is de leeftijdsvereiste. De nieuwe wet op de gezinshereniging eist namelijk dat beide ouders ouder zijn dan 21 jaar. Maar die vereiste wordt betwist omdat hierbij geen enkele uitzondering is toegelaten, terwijl bij de regeling voor het verblijf van de familieleden van een vreemdeling die onderdaan is van een derde staat en die tot een verblijf van onbeperkte duur is toegelaten, de minimumleeftijd van de partners onder bepaalde voorwaarden tot 18 jaar wordt teruggebracht.
Het Grondwettelijk Hof volgt die redenering en vernietigt artikel 40bis, §2, eerste lid, 2°, c) van de Vreemdelingenwet, ‘in zoverre het niet bepaalt dat dezelfde uitzondering op de leeftijdsvereiste als die waarin is voorzien in artikel 10, §1, eerste lid, 5° van de wet van 15 december 1980 van toepassing is op de gezinshereniging van een burger van de Europese Unie en zijn partner’.
Het hof argumenteert dat de leeftijdsvereiste van 21 jaar op zich verantwoord is. Maar er bestaat geen redelijke verantwoording om bij de afwijkingen op de leeftijdsvereiste een onderscheid te maken tussen een onderdaan van een derde staat en een EU-burger. Er is dus sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
2/ Artikel 40bis, §2, tweede lid
Artikel 40bis, §2, tweede lid van de Vreemdelingenwet geeft de Koning de bevoegdheid om de gevallen te omschrijven waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet gelijkwaardig is met een huwelijk in België.
Maar dat blijkt niet voldoende. Het Grondwettelijk Hof vernietigt namelijk artikel 40bis, §2, tweede lid van de Vreemdelingenwet, ‘in zoverre het niet voorziet in enige procedure op grond waarvan de niet onder de definitie van artikel 2, punt 2) van de richtlijn 2004/38/EG vallende familieleden van een burger van de Unie die zijn bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), van dezelfde richtlijn, een beslissing aangaande hun aanvraag tot gezinshereniging met een burger van de Unie kunnen verkrijgen die op een onderzoek van hun persoonlijke situatie is gebaseerd en, in geval van weigering, is gemotiveerd’.
Het aangehaalde artikel 3, lid 2, onder a) bepaalt namelijk dat het gastland de binnenkomst en het verblijf moet vergemakkelijken van ‘niet onder de definitie van artikel 2, punt 2, vallende familieleden’:
die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de EU-burger die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet, of
die vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de EU-burger behoeven.
Maar familieleden van een burger van de Europese Unie die in België verblijft, kunnen zich niet rechtstreeks beroepen op die bepaling om een recht van verblijf te verkrijgen, of om beoordelingscriteria aan te voeren die volgens hen op hun aanvraag moeten worden toegepast. Dat blijkt uit het arrest Rahman van het Hof van Justitie van 5 september 2012.
Bovendien stipt het Hof van Justitie in datzelfde arrest aan dat de lidstaten het verblijf van die personen moeten vergemakkelijken, en erover moeten waken dat de interne wetgeving van de lidstaten voorwaarden bepaalt op grond waarvan die personen een beslissing aangaande hun aanvraag tot binnenkomst en tot verblijf kunnen verkrijgen. En die beslissing moet gebaseerd zijn op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie. Bij een weigering moet de beslissing gemotiveerd zijn.
De lidstaten krijgen een ruime beoordelingsmarge maar het Grondwettelijk Hof acht de regeling in de Vreemdelingenwet niet toereikend om aan die eisen te voldoen. Volgens het hof kan de vastgestelde schending enkel verholpen worden door een wetgevend optreden.
Met andere woorden: de wetgever moet de procedure organiseren die een aanvraag tot verblijf voor die specifieke categorie vreemdelingen mogelijk maakt.
3/ Artikel 40ter, tweede lid
Tot slot vernietigt het Grondwettelijk Hof ook artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet ‘in zoverre het niet voorziet in een uitzondering op de voorwaarde inzake bestaansmiddelen wanneer de gezinshereniger een Belg is en zich enkel laat vervoegen door zijn minderjarige kinderen of die van zijn echtgenoot of die van zijn partner, wanneer dat partnerschap als gelijkwaardig met het huwelijk in België wordt beschouwd’.
Daarbij groepeert het Grondwettelijk Hof de vele middelen volgens onderwerp:
het verschil in behandeling tussen een Belg en zijn familieleden, en een onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie en zijn familieleden;
de Belg die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer;
de rechten verbonden aan het burgerschap van de Unie;
het verschil in behandeling tussen Belgen onderling en hun familieleden;
het verschil in behandeling tussen een Belg en zijn familieleden en een onderdaan van een derde Staat en zijn familieleden;
de toepassing in de tijd van de bestreden bepaling.